Een vleestaks?
Belastingen zijn niet populair en zullen dat wellicht nooit zijn. Maar ze hebben een functie. Toen Denemarken in oktober 2011 een vettaks invoerde, liet het debat in ons land niet lang op zich wachten. EVA maakte van de gelegenheid gebruik om voor te stellen ook een vleestaks te onderzoeken. We argumenteren even waarom we vettaks en vleestaks mogelijks wel een goed idee vinden.
Zwaarwichtige problemen
We beginnen met een paar gewichtige vaststellingen:
- Obesitas en andere niet overdraagbare welvaartsziekten worden door heel wat internationale organisaties als dé te bestrijden epidemie uitgeroepen
- Omtrent de oorzaken van deze epidemie bestaat eensgezindheid: ongezonde voeding en te weinig beweging
- Eensgezindheid bestaat er ook over het feit dat de ziekten de laagste sociale klassen onevenredig hard treffen
- Ook over de oplossing is er een consensus: een ander eetpatroon aannemen en meer bewegen.
Rapporten wijzen uit dat in de strijd tegen obesitas alle registers moeten worden opengetrokken om enig effect te bereiken: van grootschalige publiekscampagnes, individuele begeleiding, interdisciplinaire aanpak tot en met fiscale maatregelen. Hier gaan we even verder in op het meest gecontesteerde luik van dergelijke voorgestelde maatregelen: taksen.
Het spreekt voor EVA voor zich dat taksen altijd geplaatst moeten worden binnen het ruimere plaatje van een grootschalige, geïntegreerde aanpak. Ze kunnen nooit op zichzelf staan, als loutere inkomstenbron voor de overheid. De praktijk toont aan dat de overheid vaak zijn toevlucht zoekt tot preventie en publiekscampagnes maar zelden via gerichte taksen. Zeker in een land als België waar de belasting op arbeid hoog is, staat de publieke opinie niet open voor ‘bijkomende’ taksen. De politici gaan dit debat dan ook liever uit de weg. De vraag is uiteraard of het in dit debat gaat over bijkomende taksen of eerder over een andere manier van heffen van taksen.
Taks of geen taks?
Welke argumenten spelen een rol?
Laten we ervan uitgaan dat het de overheid toekomt om via het heffen van belastingen op bepaalde producten een aantal sociaal rechtvaardige correcties aan te brengen. Momenteel stellen we vast dat er een ernstig onevenwicht bestaat tussen de prijs die we betalen voor ongezonde voeding ten opzichte van gezonde voeding. Niks mis mee, zo zou je op het eerste gezicht kunnen denken: 'Ik koop en eet wat ik wil en daar hoeft de overheid geen correctie op door te voeren.' Zo ga je echter voorbij aan het feit dat ongezond eten wel degelijk een maatschappelijk effect heeft. Slechte voeding en te weinig beweging zijn de belangrijkste oorzaken voor overgewicht en obesitas. Obesitas neemt een aanzienlijke hap uit het gezondheidsbudget van de overheid (6%). Ongezond eten levert de maatschappij als geheel dus een aanzienlijke meerkost op. Momenteel betalen we die meerkost met zijn allen via de kosten in de gezondheidszorg. Er is in die context iets te zeggen voor een mechanisme waar gestreefd wordt naar een beter evenwicht tussen de prijs voor gezonde en ongezonde voeding.
Hoe kan een overheid dat het best verwezenlijken? Een paar uitgangspunten op een rij.
Een belasting heffen op een sociale manier veronderstelt dat de overheid een aantal zaken duidelijk aan de bevolking communiceert:
- Ongezonde voeding heeft een aantal negatieve maatschappelijke gevolgen (kosten voor de gezondheidszorg).
- Om die negatieve gevolgen weg te werken worden ongezonde producten belast.
- De eventuele opbrengsten worden op andere domeinen geherinvesteerd: gezonde producten of begeleiding door een diëtist goedkoper maken, campagnes voor gezonde voeding financieren, de algemene belastingsvoet op arbeid verlagen …
Voor iedere belastingbetaler wordt zo duidelijk wat in de toekomst duurder en goedkoper wordt en hoe zijn of haar gedrag daar een rol in speelt. We kunnen vergelijken met heffingen voor tabak, alcohol en diesel. Zeker de taksen op tabak en het preventiebeleid dat ermee gepaard ging, tonen aan dat een bijsturing van gewoonten, gedrag en sociale normen mogelijk is. Uit diverse studies blijkt dat bij stijgende accijnzen eerst de mensen afhaken die het meest prijsgevoelig zijn, zoals jongeren. Bij minder prijsgevoelige doelgroepen is na een bepaalde stijging van de accijnzen een prijsongevoeligheid merkbaar. Maar zelfs de groep hardnekkige rokers roker minder sigaretten bij stijgende accijnzen. Dus ook bij hen is er een merkbaar gedragseffect in de juiste richting. De belangrijkste impact van stijgende accijnzen is dus dat zij een stijgende drempel vormen voor nieuwe rokers.
Uiteraard moet een dergelijke aanpak weloverdacht, stapsgewijs en goed gecommuniceerd worden. De overheid zou kunnen starten met een hogere taks op de meest ongezonde producten zoals frisdranken of bepaalde snacks. De consument wordt zo vertrouwd met het idee van taksen op ongezonde producten. Door het algemene voorlichtingsbeleid van de overheid aanvaardt de consument deze belasting en stuurt hij zijn koop- en consumptiegedrag bij.
Prijselasticiteit van voeding als richtlijn
Een taks beïnvloedt altijd zowel producent als consument. Als de producent meer belast wordt, rekent hij dat door aan de consument, die op zijn beurt zal moeten beslissen of hij zijn aankoopgedrag door de prijsverhoging bijstuurt of niet. Belast je de consument rechtstreeks dan zal dat ook al dan niet een bijsturing in het koopgedrag tot gevolg hebben en zal de producent op zijn beurt zijn prijs al dan niet aanpassen.
Een belangrijk element hier is de prijselasticiteit van de producten, en met name de vraag of je de prijs heel veel of net heel weinig moet verhogen of verlagen om het koopgedrag te veranderen?
Voeding is erg inelastisch. Een voorbeeld: laat je de prijs van gsm’s tot een derde dalen, dan zal dat heel waarschijnlijk resulteren in een grotere verkoop. Doe je hetzelfde met een kilogram groenten, dan zal je niet dezelfde stijging in verkoop zien. De reden hiervoor is dat ons maximale totale calorieverbruik stabiel is. Je kan met andere worden niet heel veel meer eten en drinken ook al daalt de prijs drastisch. Bovendien kan je voedsel maar beperkt opslaan. Bij het invoeren van belastingen moet met andere woorden eerst en vooral beslist worden wàt je belast. Frisdranken zijn een duidelijke groep waarvoor een taks vrij vlot kan worden ingevoerd. Ze bevatten geen enkel noodzakelijk bestanddeel voor ons lichaam en brengen vooral suikers aan. Vetten zijn al van van een andere orde: er zijn er goede en slechte en voedingsproducten bevatten vaak een combinatie van beide. Nochtans toont het Deense voorstel dat, hoe technisch ook, een vettaks niet onmogelijk is. Het hangt enkel af van de wil van de overheid om het vetgebruik in zijn totaliteit te viseren en daar een technisch uitgewerkt taksvoorstel aan op te hangen. De toekomst zal aantonen of de Denen mede door de vettaks hun consumptiegedrag zullen bijsturen, hoe producenten hierop reageren en wat dit tot gevolg heeft voor de Deense volksgezondheid.
Vet-, suiker-, of vleestaks?
Spreken we over ongezonde vetten dan komt vlees automatisch in het vizier. De overheid zou dus een vleestaks als een van de stappen in een globaal voedingstaksbeleid kunnen overwegen.
In dat geval moet het gedragsbijsturende element opnieuw gedefinieerd worden. Viseert de overheid met een taks enkel de verzadigde vetten in vlees? Of viseert de overheid met een vleestaks het vleesverbruik ?Voor die laatste benadering is uiteraard heel wat te zeggen, zowel vanuit gezondheids als milieu-oogpunt. Té veel vlees eten (wat de gemiddelde Belg momenteel doet, als we de voedingsdriehoek als referentie nemen) heeft een schadelijke impact op onze gezondheid én de ecologische voetafdruk van de veeteelt is aanzienlijk. Beide zaken kunnen beschouwd worden als negatieve effecten verbonden aan de vleesconsumptie. Geen van beide negatieve aspecten komt momenteel tot uiting in de prijs die we aan de kassa voor vlees betalen. Een heffing zou dus een instrument kunnen zijn om te komen tot een correctere prijs. De consument zal zijn gedrag moeten bijsturen naar aanleiding van deze prijsbijsturing. Ook dat is een gewenst effect.
Een vleestaks is dus even verdedigbaar als een frisdrank- , suiker- of vettaks. Uniek aan de heffing op vlees is dat het zowel milieu- als gezondheidsschade kan corrigeren via de prijs. Een vleestaks zal net als andere taksen door de overheid moeten worden toeglicht en zal aanleiding moeten geven tot een herinvestering in andere producten of diensten. De consument moet geïnformeerd worden over de impact van het eten van vlees op allerlei domeinen en over het onevenwicht tussen de prijs van vlees en die van meer gezonde en duurzame alternatieven. Keuzemogelijkheden genoeg hier, want de onevenwichten in BTW, accijnzen en steun aan bepaalde sectoren zijn aanzienlijk. Die aanpak is er niet op gericht om de vleessector an sich zo te treffen dat ze niet langer economisch kan overleven, maar wel om bepaalde evenwichten op een sociaal verantwoorde manier te herstellen. Suiker- , vet- en vleestaksen passen, elk om hun eigen specifieke redenen, in een globaal taksbeleid gericht op duurzame en gezonde voeding. De overheid zou dat proces omwille van het algemeen belang dringend moeten opnemen.
Waar pleit EVA voor?
- Onderzoek naar een vleestaks.
EVA pleit ervoor dat het onderzoek en debat over (voedings)taksen ook toegespitst wordt op een vleestaks. - Een sociale belasting op voeding.
EVA pleit ervoor dat de overheid voeding belast op een sociale manier, zodat bepaalde bestaande onevenwichten in prijs tussen gezonde en ongezonde bijgestuurd kunnen worden. - Geen belastingsverhoging.
EVA pleit ervoor dat de correcte belasting van bepaalde producten niet leidt tot extra inkomsten voor de overheid, maar wordt aangewend om bijvoorbeeld andere producten minder te belasten, preventie te financieren (grootschalige en individuele aanpak) en consumenten via pilootprojecten aan te zetten om hun eetgedrag én levenswijze bij te sturen. - Goede informatie over het taksbeleid.
EVA pleit ervoor dat de consument goed geïnformeerd wordt over het waarom van de taks en het waarom van de herinvestering in andere producten of diensten.






