Milieu

PDF Print

Het lijdt weinig twijfel dat de 1,3 miljard runderen, 0,9 miljard varkens, 1,8 miljard schapen en geiten, en 14,1 miljard kippen1 op de wereld een zware “ecologische voetafdruk” kunnen achterlaten. Over het algemeen is de productie van vlees meer milieubelastend dan de productie van plantaardige producten. Veeteelt vraagt veel grond, water en energie, en draagt in belangrijke mate bij tot ontbossing, bodemerosie, klimaatswijzigingen door het broeikaseffect, vermesting, verzuring, watervervuiling en het verlies aan biodiversiteit. Het milieuprobleem is een mondiaal probleem. Vandaar richten we ons in dit deel niet uitsluitend op ons land, maar kijken we af en toe over de grenzen.

Veeteelt en efficiëntie

In de meeste gevallen is veeteelt een inefficiënte manier om mensen te voeden, vooral wanneer het gaat om de productie van vlees en eieren. Dit komt omdat het vee de energie en het eiwit uit zijn voeding niet alleen aanwendt voor zijn groei, maar ook voor onderhoud, beweging, temperatuursregulatie en eventueel nakomelingschap. Hierdoor zullen de meeste landbouwdieren op elk moment van hun leven meer voedingsenergie of eiwit geconsumeerd hebben, dan zij kunnen opleveren. Dit betekent dan ook dat het doorgaans minder verspillend is om de voor de mens eetbare voedergewassen rechtstreeks te consumeren i.p.v. ze als veevoeder te gebruiken. Zo wordt bijvoorbeeld gemiddeld 44% van alle graangewassen in de wereld als veevoeder gebruikt.2

Hoe (in)efficiënt de omzetting van plantaardig naar dierlijk voedsel werkelijk is, hangt niet alleen af van de aard van het veevoeder, maar ook van de diersoort, het product en de omstandigheden waarin de dieren worden gehouden. Belangrijk hierbij is dat men voor de berekening van de efficiëntie enkel die delen van het veevoeder in rekening brengt die voor de mens eetbaar zijn.

Zoals uit de tabel blijkt, is het overgrote deel van de veeteeltproducten inefficiënt (< 1), en dient het vee 1,5 tot 4,3 keer zoveel door de mens consumeerbare energie te eten, dan het kan opleveren.3 Wat betreft het eiwit lopen deze cijfers uiteen van 1,1 tot 3 maal zoveel.4 Voorts blijkt uit de resultaten dat melk en rundvlees afkomstig van met ruwvoer gevoederde dieren doorgaans wel op een efficiënte manier kunnen geproduceerd worden, maar dit hangt in sterke mate af van de aard van het veevoeder. Als we de bovenstaande berekeningen herhalen zonder uitsluitend de voor mensen eetbare gewassen in rekening te brengen, dan zullen we zien dat zelfs melk en rundvlees afkomstig van met ruwvoer gevoederde dieren inefficiënt blijken te zijn. Dit bewijst dat de efficiëntie van beide veeteeltproducten in wezen te danken is aan het veelvuldige gebruik van bijproducten, afvalproducten en ruwvoer, en een minimaal gebruik van graangewassen.

Hierbij moeten echter drie belangrijke opmerkingen gemaakt worden. Ten eerste, wanneer men op Europees vlak beslist om de graanoverschotten weg te werken, zal dit een hoger gebruik van granen in het veevoeder veronderstellen, waardoor ook deze veeteeltproducten minder efficiënt worden. Ten tweede, wat wij bij- en afvalproducten noemen, hangt voor een deel af van ons consumptiepatroon. Zo komt er bij de productie van wit brood bijvoorbeeld meer ‘afval’ vrij dan bij volkorenbrood. Veel bijproducten zijn echter ook afkomstig van de zogenaamde genotsmiddelenindustrie waarvan de huidige omvang misschien niet zo wenselijk is.

Efficiëntie van enkele belangrijke veeteeltproducten.
Verhouding tussen de invoer van voor de mens bruikbare voedingsenergie en eiwit en de uitvoer in de vorm van dierlijke producten (Nederland). Een cijfer lager dan 1 geeft aan dat de omzetting inefficiënt is.4b

Veeteeltproduct Energie Eiwit
Eieren 0,23-0,24 0,36-0,40
Kalfsvlees 0,29 0,33
Kippenvlees 0,28-0,29 0,43-0,62
Varkensvlees 0,31-0,40 0,29-0,34
Rundvlees 0,65 1,19
Rundvlees (veel krachtvoer) 0,41 0,94
Rundvlees (veel ruwvoer) 1,30 2,70
Melk 1,07-2,90 2,08-3,40
Biologische landbouw

Biologische producten zijn beter voor je gezondheid en voor het milieu. Ze werden geteeld zonder kunstmest of chemische pesticiden, bevatten geen ongewenste reststoffen, en zijn rijker aan mineralen, vitamines en eiwitten. Biologische landbouwtechnieken bewaren de kwaliteit van de bodem en beschermen het gewas op een plantvriendelijke manier. Er worden geen genetisch gemanipuleerde organismen gebruikt en de producten worden onderworpen aan strikte controles.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan bijproducten als melasse en bietenpulp die afkomstig zijn van de suikerproductie. En tot slot, wat het ruwvoer betreft, is het inderdaad juist dat mensen geen gras eten, maar in Europa kan het land waarop het gras groeit in heel wat gevallen net zo goed gebruikt worden voor de productie van eetbare gewassen. In dergelijk geval zullen planten per hectare doorgaans meer energie en eiwit opleveren dan melkkoeien, laat staan vlees.

Veeteelt en landgebruik

Als gevolg van de inefficiëntie van de meeste veeteeltproducten zal men voor de productie ervan doorgaans extra beslag moeten leggen op landbouwgrond. Hierdoor houdt veeteelt niet alleen voedselverspilling in, maar ook overmatig landgebruik.

Van de 49 miljoen km2 landbouwgrond die de wereld rijk is4aa, wordt ongeveer 69% gebruikt om vee op te laten grazen4ab. De overige 15 miljoen km2 bestaat uit akkerland4ac, waarvan ongeveer een vierde wordt ingenomen door veevoedergewassen4ad. Het grootste deel hiervan, zo'n 21% van de totale hoeveelheid akkerland, wordt enkel en alleen gebruikt voor de productie van graangewassen voor dierlijk gebruik4ae. Globaal kunnen we stellen dat ongeveer 76% van alle landbouwgrond in de wereld of 29% van de totale landoppervlakte van de aarde gebruikt wordt voor veeteelt4af.

Ook in Europa wordt het overgrote deel van de landbouwgrond voor veeteelt gebruikt. Zo wordt volgens Agra Europe bijna drie vierde van alle landbouwgrond in de EU aangewend voor de productie van veevoeder.4c Om het Europese vee te voeden zijn daarnaast ook tientallen miljoenen hectaren landbouwgrond vereist in niet-EU-lidstaten. In het jaar 1995/1996 bijvoorbeeld importeerde de EU 70% van de totale hoeveelheid eiwit die als veevoeder werd verbruikt, uit niet-EU-lidstaten, waarop het Europees Parlement commentarieerde: "De Europese landbouw is in staat de Europeanen te voeden, maar niet hun [landbouw]dieren."5

Veeteelt en ontbossing

Een deel van de landbouwgrond die gebruikt wordt voor veeteelt bestaat uit geconverteerde bosgebieden.Het probleem van ontbossing doet zich niet alleen voor in gebieden met tropisch regenwoud, maar is een wereldwijde kwestie. Zo verdwijnen in Canada 200.000 ha bos per jaar en in Siberië 3 miljoen ha voor houtproductie.6 Gevolgen van ontbossing zijn het verlies van culturele diversiteit, verlies van biodiversiteit en een onrechtstreekse bijdrage aan het broeikaseffect doordat minder koolstofdioxide kan worden opgeslagen.7

Ontbossing kent verschillende (ook natuurlijke) oorzaken, maar de twee belangrijkste zijn houtproductie en veeteelt. Wat de laatste betreft, wordt bos zowel geruimd voor weiland, als voor het telen van veevoedergewassen.

In een ontbost gebied zullen bodemnutriënten vlug verdwijnen, en gaat onkruid vaak gras vervangen. Kunstmeststoffen kunnen maar een tijdelijke oplossing bieden, en natuurlijke regeneratie is zeer moeilijk.8 De helft van alle weidegrond in het Amazonegebied is in uitgeputte staat achtergelaten.

De tropische regenwouden vormen een belangrijk probleemgebied. Sinds 1950 is 200 miljoen hectare tropisch regenwoud verdwenen, wat overeenkomt met één vijfde van de wouden van de wereld, of meer dan de helft van alle tropisch regenwoud.9

Terwijl ontbossing van het Afrikaanse en Zuidoost-Aziatische regenwoud voornamelijk moet worden toegeschreven aan gewassenteelt en houtproductie, is in Zuid-Amerika veeteelt de voornaamste oorzaak.10 Van het tropisch regenwoud bevindt één derde zich in Brazilië. Daar verdwijnt het regenwoud vandaag à  rato van 5.000 voetbalvelden per dag11, en wordt 70% van de ontbossing toegeschreven aan veeteelt.12 In Midden-Amerika is het aantal koeien sinds 1950 uitgebreid van 4,2 naar 9,6 miljoen13, en is de totale hoeveelheid weiland tussen 1955 en 1995 toegenomen van 3,9 naar 13,4 miljoen hectare.14

Midden- en Zuid-Amerika kunnen ver van ons bed lijken, maar ook Europese dieren worden gedeeltelijk met Zuid-Amerikaans veevoeder (soja) gevoed. Hetzelfde geldt voor tapioca uit Thailand, die in sommige gevallen op ontbost gebied geteeld werd en in Europa wordt ingevoerd om te dienen als veevoeder voor koeien, varkens en kippen.15

Veeteelt, bodemerosie en verwoestijning

Hoewel een zekere begrazing een gunstig effect kan hebben, kan weiland bij te intensief gebruik (overbegrazing) eroderen en verwoestijnen.16 Het vee eet een groot deel van de vegetatie weg, en brengt ook louter door zijn lichaamsgewicht ernstige schade toe. Dit kan, samen met andere factoren, zoals water en wind, het erosieproces in de hand werken, waarbij de zogenaamde bovengrond gedeeltelijk verdwijnt. De bovengrond is de dunne laag grond die gedurende een eeuwenlang verweringsproces gevormd werd uit rotsmateriaal. Deze laag is het meest vruchtbare deel van de grond. Eens verdwenen zijn er honderden jaren nodig om ze opnieuw op te bouwen.

Volgens bepaalde bronnen is globaal gezien het grootste deel van de begraasde landoppervlakte in de wereld redelijk tot ernstig verwoestijnd.17 Anderen geven aan dat sinds 1945 ongeveer 680 miljoen ha, of 20% van alle weidegrond in de wereld, ernstig geërodeerd is.18 Vooral met het oog op het wereldvoedselvraagstuk en de groei van de wereldbevolking vormt dit een belangrijk probleem. Erosie is immers een van de factoren (naast toenemende bebouwing e.a.) die ervoor zorgen dat het globale landbouwareaal daalt – dit terwijl de bevolking toeneemt en de vraag naar voedsel dus groter wordt.

Veeteelt en klimaatsveranderingen door het broeikaseffect

Het broeikaseffect is een volkomen natuurlijk proces waarbij een bepaalde groep gassen uit onze atmosfeer, de zogenaamde broeikasgassen, de door de aarde teruggekaatste zonnewarmte absorberen en opnieuw uitzenden in de atmosfeer. Wanneer de concentratie van deze gassen in de atmosfeer echter sterk toeneemt, zal er minder warmte naar de ruimte kunnen ontsnappen en zal de gemiddelde temperatuur op aarde stijgen.19 Gevolgen zijn op termijn een stijging van de zeespiegel, veranderingen in weerspatronen en oceaanstromingen e.d.20 Deze kunnen op hun beurt zware gevolgen kunnen hebben voor ecosystemen, de volksgezondheid, de globale waterhuishouding en de landbouw.21

Volgens schattingen wordt wereldwijd 64% van de globale opwarming veroorzaakt door koolstofdioxide, gevolgd door methaan (20%), gehalogeneerde verbindingen (10%) en stikstofoxide (6%).22 Hoe groot de impact van menselijke activiteiten is op de globale opwarming, is nog niet geheel duidelijk. Wel kan men met zekerheid zeggen dat het overgrote deel van de door de landbouw voortgebrachte broeikasgasemissies rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met veeteelt.

Veeteelt is voor een groot deel verantwoordelijk voor de methaanuitstoot, doordat methaan vrijkomt bij de spijsvertering van herkauwers (koeien, schapen, geiten, buffels, enz.). en in mindere mate ook uit dierlijke mest. Uit een rapport van de FAO (Food and Agriculture Organisation) blijkt dat wereldwijd ongeveer 16% van alle methaanemissies afkomstig is van veeteelt.23 Meststoffen, die vaak gebruikt worden voor het telen van veevoeder, zijn bovendien nog eens verantwoordelijk voor 80% van de jaarlijkse toename van stikstofdioxide in de atmosfeer.24

Veeteelt en vermesting

Vermesting is de ontregeling van ecologische processen en kringlopen door een overmatige toevoer van nutriënten als stikstof, fosfor en in mindere mate kalium, in het milieu. Mest zelf is uiteraard de belangrijkste bron van vermesting, maar ook afvalwater, reststoffen (bvb. slib) en gassen dragen ertoe bij. Vermesting bedreigt de biodiversiteit, het oppervlakte- en grondwater, de drinkwatervoorziening, bodemprocessen, enz.25 Dierlijke mest bevat bovendien zware metalen, zoals koper en zink, die aan veevoeder worden toegevoegd, onder meer als groeimiddel. Deze stoffen komen via bemesting op het land, en kunnen eventueel als residu in onze voeding terechtkomen.

Beperkte hoeveelheden dierlijke mest kunnen nuttig worden aangewend om de vruchtbaarheid van de bodem te verhogen, maar vandaag is het mestoverschot een ernstig milieuprobleem. In Vlaanderen wordt 205 miljoen kg mest geproduceerd, terwijl er slechts ruimte is voor 139 miljoen kg.26 Elke kg varkensvlees van de 7,6 miljoen varkens in ons land komt overeen met maar liefst 16 kg mest.27 Jaarlijks wordt 326.000 ton stikstof en 49.000 ton fosfor over de Vlaamse landbouwbodems uitgestort. Het aandeel van dierlijke mest hierin bedraagt 168.000 ton stikstof en 32.000 ton fosfor. Niet eens de helft daarvan wordt opgenomen door de gewassen.28 De nitraat- en fosfaatgehalten in de Belgische bodem zitten vaak ver boven de aanvaarde normen.29

Ook elders is vermesting een probleem. Wereldwijd produceren de pluimvee- en varkensindustrie alleen al bijna 7 miljoen ton stikstof per jaar.30 Er wordt geschat dat dieren in de Verenigde Staten 130 keer zoveel mest produceren als de Amerikaanse bevolking.31 Volgens een rapport van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw bevat de mest die geproduceerd wordt door 200 melkkoeien dezelfde hoeveelheid nitraten als de riolen van een dorp met een bevolking van 5.000 à  10.000 mensen.32 De mest van 22.000 leghennen (een kleine legbatterij) kan evenveel fosfor voortbrengen als die van 6.000 mensen.33 Het grootste varkensbedrijf in de V.S., dat 2,5 miljoen varkens per jaar aflevert, produceert meer mest dan de stad Los Angeles.34

Veeteelt en verzuring

Verzuring wordt veroorzaakt door zwavel- en stikstofverbindingen die via de atmosfeer in lucht, bodem en water terechtkomen. Verzuring speelt een belangrijke rol in de verstoring van ecosystemen. Door verzuring sterven bossen af, vergrast de heide, en gaat de vitaliteit van planten achteruit. Andere gevolgen zijn de verzuring van meren, de aantasting van visbestanden, en de verontreiniging van lucht-, grond- en oppervlaktewater. Wellicht het bekendste gevolg van verzuring is de zogenaamde "zure regen."

Veeteelt is met 31% de belangrijkste bron van verzuring in Vlaanderen, nog vóór de elektriciteitscentrales (18%) en het verkeer (16%).35 Dit is te wijten aan de zeer hoge uitstoot van ammoniak door de veeteelt (vooral via mest). In Vlaanderen is veeteelt, en dan vooral varkens en runderen, verantwoordelijk voor 97% van de totale ammoniakuitstoot.36 Ammoniak is uiterst schadelijk voor de natuur, en onder meer heide, paddestoelen, korstmossen, vlinders en reptielen verdragen het niet.37

Veeteelt, waterverontreiniging en waterverbruik

Van de nitraten uit mest komt een deel onder de vorm van ammoniak in de lucht terecht. Een ander deel komt in het grond- en oppervlaktewater terecht, wat onze drinkwatervoorziening in gevaar kan brengen. In het lichaam kunnen nitraten namelijk omgezet worden tot het kankerverwekkende nitriet. Door de aantasting van het oppervlaktewater door nitraat en fosfaat gaan ook de zwemwaterkwaliteit en het visbestand achteruit.38 In Vlaanderen werd tussen juni 1999 en maart 2000 op 60% van de MAP (Mestactieplan)-meetpunten de Europese nitraatrichtlijn minstens éénmaal overschreden.39

LandbouwproductWaterverbruik
per kg
Aardappelen 500 l
Tarwe 900 l
Maïs 1.400 l
Sojabonen 2.000 l
Rundvlees 16.000 l

Landbouw is globaal gezien de grootste verbruiker van water, en gebruikt 65% van alle zoetwater. Een groot deel hiervan wordt rechtstreeks of onrechtstreeks gebruikt voor veeteelt. Naast drink- en reinigingswater worden ook grote hoeveelheden water verbruikt voor de teelt van veevoedergewassen, en bij de vleesverwerking. Volgens één bron die al deze factoren in rekening brengt, vereist de productie van 1 kg dierlijke eiwitten doorgaans 100 keer meer water dan de productie van 1 kg plantaardige eiwitten.40

Volgende tabel geeft aan hoeveel water er nodig is voor de productie van één kilogram van een bepaald landbouwproduct:41

Veeteelt en verlies aan biodiversiteit

Vleesconsumptie kan op verschillende manieren, rechtstreeks en onrechtstreeks, bijdragen aan een verlies aan biodiversiteit. De oorzaken liggen bij de hierboven besproken implicaties van veeteelt: vermesting, verzuring, watervervuiling, klimaatsveranderingen door het broeikaseffect, en ontbossing vormen een bedreiging voor een aantal diersoorten. Dit probleem stelt zich natuurlijk bij uitstek wanneer het gaat om ontbossing van tropisch regenwoud, dat een bijna ongekende rijkdom aan unieke dier- en plantensoorten herbergt.

Ook in België zijn een heel aantal soorten bedreigd of reeds verdwenen. Zo zijn bijvoorbeeld in Vlaanderen 34 van de oorspronkelijk 87 soorten dagvlinders uitgestorven; daarnaast verdwenen de laatste eeuw 10 soorten broedvogels (terwijl er nog eens 48 op de “rode lijst” staan) en 13 van de ca. 50 soorten zoetwatervissen.42

Voetnoten

  • 1 FAO (2000). Food and Agriculture Organisation Statistical Databases (FAOSTAT). Food and Agriculture Organisation of the United Nations (FAO), Rome, Italy. Internet: http://apps.fao.org/
  • 2 de Haan, C.; Steinfeld, H.; Blackburn, H. (1997). Livestock and the Environment. Finding a Balance. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 3 Eigen berekeningen op basis van cijfergegevens afkomstig uit: Blom, J. (1985). Voedsel of veevoeder? Melk in Relatie tot de Gezondheid 12 (2) : 4 & Task Force of the Council for Agricultural Science and Technology (1999). Animal Agriculture and Global Food Supply. Task Force Report No. 135. Council for Agricultural Science and Technology (CAST), Ames, Iowa, USA.
  • 4 Eigen berekeningen op basis van cijfergegevens afkomstig uit: Blom, J. (1985). Voedsel of veevoeder? Melk in Relatie tot de Gezondheid 12 (2) : 4 & Task Force of the Council for Agricultural Science and Technology (1999). Animal Agriculture and Global Food Supply. Task Force Report No. 135. Council for Agricultural Science and Technology (CAST), Ames, Iowa, USA.
  • 4b Tabel op basis van cijfergegevens afkomstig uit: Blom, J. (1985). Voedsel of veevoeder? Melk in Relatie tot de Gezondheid 12 (2) : 4 & Task Force of the Council for Agricultural Science and Technology (1999). Animal Agriculture and Global Food Supply. Task Force Report No. 135. Council for Agricultural Science and Technology (CAST), Ames, Iowa, USA.
  • 4aa FAO (1998). Food and Agriculture Organisation Statistical Databases (FAOSTAT). Food and of the United Nations (FAO), Rome, Italy. Internet: http://apps.fao.org/
  • 4ab Eigen berekeningen op basis van cijfergegevens afkomstig uit: de Haan, C.; Steinfeld, H.; Blackburn, H. (1997). Livestock and the Environment. Finding a Balance. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium & FAO (1998). Food and Agriculture Organisation Statistical Databases (FAOSTAT). Food and Agriculture Organisation of the United Nations (FAO), Rome, Italy. Internet: http://apps.fao.org/ & Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 4ac FAO (1998). Food and Agriculture Organisation Statistical Databases (FAOSTAT). Food and Agriculture Organisation of the United Nations (FAO), Rome, Italy. Internet: http://apps.fao.org/
  • 4ad de Haan, C.; Steinfeld, H.; Blackburn, H. (1997). Livestock and the Environment. Finding a Balance. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 4ae Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 4af Eigen berekeningen op basis van cijfergegevens afkomstig uit: de Haan, C.; Steinfeld, H.; Blackburn, H. (1997). Livestock and the Environment. Finding a Balance. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium & FAO (1998). Food and Agriculture Organisation Statistical Databases (FAOSTAT). Food and Agriculture Organisation of the United Nations (FAO), Rome, Italy. Internet: http://apps.fao.org/ & Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 4c Agra Europe (1996). The EU Animal Feed Sector 1996-2000. Agra Europe Special Report No. 83. Agra Europe Ltd., London, UK.
  • 5 European Parliament (1999). Le déficit de l'Europe en aliments composés du bétail et l'agenda 2000. Agriculture, Forestry and Rural Development Series, AGRI 110. European Parliament, Brussels, Belgium.
  • 6 Global Futures Foundation (1997). Deforestation: Causes, Implications, and Solutions. Global Futures Foundation, San Francisco, California, USA. World Resources Institute (WRI). Internet: http://www.wri.org/
  • 7 Global Futures Foundation (1997). Deforestation: Causes, Implications, and Solutions. Global Futures Foundation, San Francisco, California, USA. World Resources Institute (WRI). Internet: http://www.wri.org/
  • 8 Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 9 Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium. World Resources Institute (WRI). Internet: http://www.wri.org/
  • 10 Bruenig, J. (1991). Tropical Forest Report. Government of the Federal Republic, Bonn, Germany. Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 11 Rich, J.L. (MSNBC's Sao Paulo correspont) (2000). Brazil. Earth's laboratory. Terminal Planet. An MSNBC Special Report. MSNBC (MSN - NBCi), Secaucus, New Jersey, USA.
  • 12 Bruenig, J. (1991). Tropical Forest Report. Government of the Federal Republic, Bonn, Germany. Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 13 Kaimonitz, D. (1995). Livestock and Deforestation in Central America. EPTD Discussion Paper No. 9. International Food Policy Research Institute (IFPRI), NW Washington, Washington D.C., USA and Inter-American Institute for Cooperation on Agriculture (IICA), Coronado, San Jose, Costa Rica. Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 14 FAO (1995). Food and Agriculture Organisation Statistical Databases (FAOSTAT). Food and Agriculture Organisation of the United Nations (FAO), Rome, Italy. Internet: http://apps.fao.org/ Roper, J.; Roberts, R.W. (1999). Deforestation: Tropical Forests in Decline. CIDA Forestry Advisers Network (CFAN), Canadian International Development Agency (CIDA), Quebec, Canada. Sunderlin, W.; Rodriguez, J. (1996). Cattle, Broadleaf Forests, and the Agricultural Modernization Law of Honduras. The Case of Olancho. Occasional Paper No. 7. Center for International Forestry Research (CIFOR), Jakarta, Indonesia.
  • 15 Porrit, J. (1991). Save the Earth. Harper-Collins, London, UK.
  • 16 Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 17 Dregne, H.; Kassas, M.; Rozanov, B. (1992). Status of desertification and implementation of the United Nations Plan to Combat Desertification. Desertification Control Bulletin 20 : 6. Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium. WRI (1992). World Resources 1992-1993. A Guide to the Global Environment. Oxford University Press, Oxford, UK and New York, USA.
  • 18 Oldeman, L.R.; Hakkeling, R.T.A.; Sombroek, W.G. (1990). World Map of the Status of Human-Induced Soil Degradation. An Explanatory Note (Revised 2nd Edition). International Soil Reference and Information Centre (ISRIC), Wageningen, The Netherlands. Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 19 EPA (2000). Climate. Global Warming. United States Environmental Protection Agency (EPA), NW Washington, Washington DC, USA. Van Steertegem, M. et al. (2000). Milieu- en natuurrapport Vlaanderen: scenario's. MIRA-S 2000. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), Aalst, België en Garant Uitgevers NV, Leuven, België en Apeldoorn, Nederland.
  • 20 EEA (2000). Environmental Signals 2000. Environmental Assessment Report No. 6. European Environment Agency (EEA), Copenhagen, Denmark. EPA (2000). Impacts. Global Warming. United States Environmental Protection Agency (EPA), NW Washington, Washington DC, USA. Heirman, J.P. et al. (1997). MINA-plan 2. Het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL), Brussel, België. Van Steertegem, M. et al. (2000). Milieu- en natuurrapport Vlaanderen: scenario's. MIRA-S 2000. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), Aalst, België en Garant Uitgevers NV, Leuven, België en Apeldoorn, Nederland.
  • 21 EEA (2000). Environmental Signals 2000. Environmental Assessment Report No. 6. European Environment Agency (EEA), Copenhagen, Denmark.
  • 22 IPCC (1996). IPCC Second Assessment. Climate Change 1995. A Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change. World Meteorological Organisation (WMO) and United Nations Environment Programme (UNEP), Geneva, Switzerland.
  • 23 de Haan, C.; Steinfeld, H.; Blackburn, H. (1997). Livestock and the Environment. Finding a Balance. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium. Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 24 Bouwman, A.F. (1998). Nitrogen oxides and tropical agriculture. Nature 392 (6679) : 866-867.
  • 25 Heirman, J.P. et al. (1997). MINA-plan 2. Het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL), Brussel, België. Van Steertegem, M. et al. (2000). Milieu- en natuurrapport Vlaanderen: scenario's. MIRA-S 2000. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), Aalst, België en Garant Uitgevers NV, Leuven, België en Apeldoorn, Nederland.
  • 26 VMM (2000). Vermesting. Een probleem van fosfaat en nitraat. De Verrekijker 1 (1) : 16. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), VMM-publicaties, Oostende, België.
  • 27 Verde (2000). Vlees. Infobladen. Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO), Brussel, België. Internet: http://www.ecoline.org/verde/
  • 28 Verde (2000). Vlees. Infobladen. Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO), Brussel, België. Internet: http://www.ecoline.org/verde/ Heirman, J.P. et al. (1997). MINA-plan 2. Het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL), Brussel, België. VMM (2000). Vermesting. Een probleem van fosfaat en nitraat. De Verrekijker 1 (1) : 16. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), VMM-publicaties, Oostende, België.
  • 29 Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 30 Steinfeld, H.; de Haan, C.; Blackburn, H. (1997). Livestock - Environment Interactions. Issues and Options. A study coordinated by the Food and Agriculture Organisation of the United Nations, the United States Agency for International Development and the World Bank. European Commission, Brussels, Belgium.
  • 31 Minority Staff of the US Senate Committee on Agriculture, Nutrition and Forestry (1997). Animal Waste Pollution in America: an Emerging National Problem. Environmental Risks of Livestock and Poultry Production. Report Compiled by the Minority Staff of the US Senate Committee on Agriculture, Nutrition and Forestry for Senator Tom Harkin (D-IA), Ranking Member. United States Senate, Washington DC, USA.
  • 32 Copeland, C.; Zinn, J. (1998). Animal Waste Management and the Environment: Background for Current Issues. Congressional Research Service Issue Brief for Congress. The National Council for Science and the Environment (CNIE), NW Washington, Washington DC, USA. Minority Staff of the US Senate Committee on Agriculture, Nutrition and Forestry (1997). Animal Waste Pollution in America: an Emerging National Problem. Environmental Risks of Livestock and Poultry Production. Report Compiled by the Minority Staff of the US Senate Committee on Agriculture, Nutrition and Forestry for Senator Tom Harkin (D-IA), Ranking Member. United States Senate, Washington DC, USA. NRCS (1995). Animal Manure Management. NRCS/RCA Issue Brief 7. United States Department of Agriculture (USDA), Natural Resources Conservation Services (NRCS), Washington DC, USA.
  • 33 Copeland, C.; Zinn, J. (1998). Animal Waste Management and the Environment: Background for Current Issues. Congressional Research Service Issue Brief for Congress. The National Council for Science and the Environment (CNIE), NW Washington, Washington DC, USA. NRCS (1995). Animal Manure Management. NRCS/RCA Issue Brief 7. United States Department of Agriculture (USDA), Natural Resources Conservation Services (NRCS), Washington DC, USA.
  • 34 Minority Staff of the US Senate Committee on Agriculture, Nutrition and Forestry (1997). Animal Waste Pollution in America: an Emerging National Problem. Environmental Risks of Livestock and Poultry Production. Report Compiled by the Minority Staff of the US Senate Committee on Agriculture, Nutrition and Forestry for Senator Tom Harkin (D-IA), Ranking Member. United States Senate, Washington DC, USA.
  • 35 Anoniem (1997). België: veeteelt is belangrijkste bron van verzuring in Vlaanderen. LBActualiteiten, nr. 34 (14-11-1997). Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag, Nederland. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Internet: http://www.vmm.be/
  • 36 VMM (1999). Lozingen in de lucht 1997-1998. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), Aalst, België.
  • 37 Milieudefensie (2000). Milieuorganisaties slaan alarm over vrije verkoop ammoniakrechten. Mestopkoopregeling nekt ammoniakbeleid. Persberichten. Milieudefensie, Amsterdam, Nederland.
  • 38 Verde (2000). Vlees. Infobladen. Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO), Brussel, België. Internet: http://www.ecoline.org/verde/ VMM (2000). Algen in volle bloei. Gevolgen voor het oppervlaktewater. De Verrekijker 1 (1) : 17. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), VMM-publicaties, Oostende, België.
  • 39 VMM (2000). Landbouw en Milieu. Het MAP-meetnet. De Verrekijker 1 (3) : 15. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), VMM-publicaties, Oostende, België.
  • 40 Pimentel, D.; Pimentel, M. (1996). Food, Energy and Society (Revised Edition). University Press of Colorado, Boulder, Colorado, USA.
  • 41 Pimentel, D.; Houser, J.; Preiss, E.; White, O.; Fang, H.; Mesnick, L.; Barsky, T.; Tariche, S.; Schreck, J.; Alpert, S. (1997). Water resources: agriculture, the environment and society. Bioscience 47 (2) : 97-106.
  • 42 Heirman, J.P. et al. (1997). MINA-plan 2. Het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL), Brussel, België.
Banner
Tobias